De Aerocar: de meest serieuze vliegende auto uit de twintigste eeuw
De droom van een voertuig dat zowel over de weg rijdt als vliegt, is zo oud als de automobiel zelf. De meeste pogingen bleven bij prototypes of beperkte experimenten. De Aerocar van Moulton B. Taylor — kortweg Molt Taylor — was echter serieuzer dan de meeste: hij ontving FAA-certificering, werd daadwerkelijk geproduceerd (zij het in kleine aantallen) en functioneerde werkelijk als zowel auto als vliegtuig.
Molt Taylor en het concept (1946-1956)
Molt Taylor was een voormalige marineofficier en luchtvaartingenieur die na de Tweede Wereldoorlog zijn droom najoeg: een persoonlijk luchtvaartuig dat bij aankomst op de grond als gewone auto verder kon rijden. Het concept was simpel in theorie maar complex in uitvoering: de vleugels, de staart en de propeller moesten worden achtergelaten bij een aangewezen parkeerplaats terwijl de auto het stadsverkeer in reed, en bij vertrek kon de bestuurder de vliegtuigonderdelen weer aankoppelen.
Taylor werkte meer dan tien jaar aan de ontwikkeling. In 1956 ontving de Aerocar I de eerste FAA-certificering als luchtwaardig voertuig (type certificaat) — een prestatie die geen enkel ander rijdend vliegtuig voor hem had bereikt.
Technische specificaties van de Aerocar
De Aerocar I en zijn opvolgers hadden de volgende technische kenmerken:
- Motor: Lycoming O-360, een horizontaal tegenovergestelde viercilinder luchtgekoelde motor van 143 pk.
- Wegprestaties: Op de weg reed de Aerocar als een gewone personenwagen, met een topsnelheid van circa 80-90 km/u.
- Vliegprestaties: In de lucht behaalde de Aerocar een kruissnelheid van circa 190 km/u en een maximale vlieghoogte van circa 3.600 meter.
- Vleugelspanwijdte: Circa 10,4 meter, zodat de vleugels samengevouwen konden worden voor transport over de weg.
- Gewicht: Leeggewicht van circa 560 kg.
De overgang van rijden naar vliegen vergde circa vijf minuten: de bestuurder koppelde de vleugelunit los bij een airstrip, vouwde de vleugels uit, startte de motor en was klaar voor vertrek. De terugaanhangwagen met de vleugels werd bij de airstrip achtergelaten.
Productie: vijf exemplaren
Taylor bouwde in totaal zes Aerocars: de Aerocar I (prototype, 1949), Aerocar II, Aerocar III, Aerocar IIIA, Aerocar IIIB en de Aerocar IIIC. Van deze zes zijn er tot op heden meerdere bewaard gebleven. De Aerocar III is te bezichtigen in het Museum of Flight in Seattle, Washington. De Aerocar IIIA bevindt zich in het EAA Aviation Museum in Oshkosh, Wisconsin.
Waarom werd de Aerocar geen commercieel succes?
Taylor probeerde meerdere malen de Aerocar in serie te laten produceren. In 1970 ontving hij zelfs bestellingen voor 250 exemplaren — voldoende om een productierun te rechtvaardigen — maar FAA-certificeringseisen voor productievoertuigen bleken een te hoge drempel. De kosten voor het voldoen aan nieuwe veiligheidseisen maakten serieproductie onhaalbaar.
Andere factoren die bijdroegen aan het falen van de Aerocar als commercieel product:
- De bestuurder had zowel een rijbewijs als een vliegbrevet nodig.
- De airstrip bij elke bestemming vereist bleef; van deur tot deur vliegen was niet mogelijk.
- De prijs lag significant hoger dan een gewone auto of een licht vliegtuig afzonderlijk.
- Luchtvaartregulering werd in de jaren zestig en zeventig steeds strenger.
Erfenis en invloed
De Aerocar heeft een prominente plek in de luchtvaart- en autogeschiedschrijving. Hij verscheen in talloze tijdschriften, televisieprogramma’s en exposities. De Aerocar inspireerde generaties ingenieurs en ondernemers die de vliegende auto probeerden te verwezenlijken. Bedrijven als Terrafugia (nu onderdeel van Geely) en PAL-V bouwen voort op dezelfde droom die Taylor in 1956 als eerste serieus realiseerde.
Tekst geoptimaliseerd in mei 2026.










