Iso is een van de meer opmerkelijke Italiaanse automerken uit de naoorlogse periode: begonnen als producent van scooters en de iconische Isetta microcar, en geëindigd als bouwer van exclusieve GT-auto’s met Amerikaanse V8-motoren. De transitie van goedkoop stadsvoertuig naar luxe sportwagen beslaat slechts twee decennia, maar het merk liet een onuitwisbare stempel achter op de Italiaanse autogeschiedenis.
Oorsprong: scooters en koelkasten
Iso Autoveicoli werd in 1939 opgericht in Brescia door Renzo Rivolta als fabrikant van motorscooters en later koelkasten. Na de oorlog richtte Rivolta zich op gemotoriseerde tweewielers — de Isoscooter en de Isomoto — die in het arme naoorlogse Italië populair waren als betaalbaar vervoer. De stap naar vierwielen was een logische uitbreiding van zijn kennis van compacte aandrijfsystemen.
De Iso Isetta (1953–1955)
De beroemdste Iso was ook de kleinste: de Isetta. Dit kleine ‘bubblecar’ had een voordeur die tegelijk het stuur en de bedekkende frontruimte inzwaaide. De Isetta was extreem compact — korter dan 2,3 meter — en had een tweecilinder motorfietsmotor van 236 of 298 cc. Twee personen konden zijdelings naast elkaar zitten, meer was er niet. Het was een radicale oplossing voor de brandstofschaarste en stedelijke mobiliteit van de vroege jaren vijftig.
Iso verkocht de licentie voor de Isetta aan BMW in 1955, wat de bekendste versie opleverde: de BMW Isetta. BMW bouwde meer dan 160.000 stuks; de Iso-versie zelf was in kleine aantallen gebouwd. De beslissing om de Isetta te licentiëren gaf Iso het kapitaal om grotere plannen te realiseren.
GT-auto’s: de rijpe jaren van Iso
Iso Rivolta IR 300 (1962–1970)
Met de Rivolta begon een geheel nieuw hoofdstuk. De IR 300 was een vierpersoons Grand Tourer, ontworpen door Giugiaro bij Bertone. De carrosserie was elegant en ingetogen; het hart was Amerikaans: een Chevrolet V8 van 5,4 liter. Die combinatie — Italiaans koetswerk, Amerikaanse betrouwbaarheid — was doelbewust. Renzo Rivolta wilde een auto die net zo goed reed als hij eruitzag, zonder de typische betrouwbaarheidsproblemen van Italiaanse exotica.
Iso Grifo (1965–1974)
De Grifo was de absolute top van het Iso-gamma: een tweepersoonscoupe met lage, brutale lijnen, eveneens ontworpen door Giugiaro. De motoren waren aanvankelijk Chevrolet V8s in uiteenlopende tuning, maar een 7,0-liter Ford-motor werd later ook aangeboden. De Grifo haalde in de krachtigste uitvoering een topsnelheid boven de 280 km/u — uitzonderlijk voor begin jaren zestig. Een klein aantal Grifo’s werd ook als cabriolet geleverd.
Iso Fidia (1967–1974)
De Fidia was het grootste en meest luxueuze model: een vierdeurs sedan voor vier passagiers, eveneens met V8-motor. Ontworpen door Ghia, was de Fidia bedoeld als directeurswagen — iets voor de autoliefhebber die ook een gezin moest vervoeren. In de praktijk was de Fidia te duur voor een brede markt.
Iso Lele (1969–1974)
De Lele was Iso’s 2+2 coupe in het midden van het gamma. Ontworpen door Bertone, iets minder exclusief dan de Grifo maar ruimer en praktischer. De Lele droeg dezelfde V8-motoren als de rest van het gamma.
Einde van Iso
De oliecrisis van 1973 was fataal voor Iso. Auto’s met grote Amerikaanse V8-motoren verkochten in één klap nauwelijks meer. De markt voor Europese GT-auto’s kromp sterk; Iso had geen plan B. Renzo Rivolta stierf in 1966 en zijn zoons voerden het bedrijf voort tot 1974, waarna Iso definitief de deuren sloot.
Veelgestelde vragen
Wat is de relatie tussen Iso en BMW Isetta?
Iso ontwierp en produceerde de originele Isetta microcar in 1953. In 1955 verkochten ze de licentie aan BMW, dat het model populair maakte met meer dan 160.000 gebouwde stuks. Iso en BMW zijn twee aparte bedrijven.
Welke motoren gebruikte Iso in zijn GT-auto’s?
Chevrolet V8-motoren van 5,4 en 6,0 liter waren de standaard. Later werd ook een 7,0-liter Ford V8 aangeboden voor de Grifo.
Hoeveel Iso Grifo’s zijn er gebouwd?
Er zijn circa 413 Grifo’s gebouwd in alle varianten. Het zijn gezochte collector’s items die op klassiekerveilingen hoge prijzen halen.
Waarom ging Iso failliet?
De oliecrisis van 1973 vernielde de markt voor grote GT-auto’s. Iso had geen zuinige alternatieven en kon de terugval niet overleven.
Tekst geoptimaliseerd in mei 2026.










